Hulpverleningszone Fluvia

https://www.hvzfluvia.be/

1 zone, 14 gemeenten, 17 posten

De hulpverleningszone Fluvia bestaat uit 14 gemeenten: Anzegem, Avelgem, Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Ledegem, Lendelede, Menen, Spiere-Helkijn, Waregem, Wevelgem, Wielsbeke en Zwevegem. Met de brandweerhervorming waarborgen 17 brandweerposten nu dit hele gebied, waarbinnen over de grenzen heen wordt samengewerkt en dat op diverse vlakken.

Zonecdt:

Gemeentes: Anzegem, Avelgem, Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kuurne, Ledegem, Lendelede, Menen, Spiere-Helkijn, Waregem, Wevelgem, Wielsbeke, Zwevegem

Contact V.S.O.A.

Contact verantwoordelijk voor de sector:

firefighters@vsoa-g2.eu

Bart Noyens

Verantwoordelijke leider

Firefighter.VL@vsoa-g2.eu 

Vandamme Dirk

dirk.Vandamme@hvzfluvia.be


Bijzonder Onderhandelingscomité & Hoog Overlegcomité. Deze vergadering zal doorgaan op DINSDAG 20 september 2022 

Op de dagorde: Punten aangebracht door de werkgever 

1. Ontwerp arbeidsreglement voor het operationeel beroepspersoneel van Fluvia eerste bespreking voorontwerp arbeidsreglement vastleggen vervolgmethodiek en vergaderritme 

2. Goedkeuren verslag 22 juni 202 verslag in bijlage gevoegd 

3. Nota 65+ Nota in bijlage. 

4. Feestdagen 2023 vastleggen vervangende feestdagen in 2023 

5. Evaluatie FIP-plan zoals opgenomen in de RPR van het administratief personeel 

6. Vergaderkalender 2023 HOC BOC


Comité voor Preventie en Bescherming op het werk MAANDAG 19 SEPTEMBER 2022

Op de dagorde

1. Goedkeuring van het ontwerpverslag van het vorige CPBW ○ 20-06-2022

2. Maandverslag interne dienst preventie en bescherming op het werk

3. Openstaande punten uit voorgaande comité vergaderingen

4. Uitgevoerde punten uit voorgaande comité vergaderingen

5. Arbeidsveiligheid en welzijn op het werk bij aankopen

○ Tafels voor dispatching ○ Zwaar en specifiek materieel voor ZAR

○ Aankoop adembescherming (+ Seveso-dotae)

6. Werken met derden (voorstel)

7. Punten aangebracht door de syndicale partners

8. Diversen - Mededelingen - Varia

○ RA duikstoel

○ Verslag postbezoeken Lauwe en Marke



Geachte voorzitter

In antwoord op uw uitnodiging voor het comité CPBW op 20 december e.k. wenst VSOA een agendapunt toe te voegen aan het CPBW.

Rekening houdende het vonnis van 22 november 2021 (origineel in bijlage​).

Gelieve in het huishoudelijk reglement van het comité CPBW de volgende bepaling op te nemen "De afgevaardigden van de personeelsleden die deelnemen aan een vergadering buiten hun werkuren hebben recht op compensatieverlof pro rata de duur van de vergadering »

Een vonnis van 22 november 2021 van de vierde kamer van de arbeidsrechtbank in Luik (Rolnummer: R.G.: 20/992/A) geeft gelijk aan het VSOA en verklaart voor recht dat de gepresteerde uren door de vakbondsafgevaardigden in het kader van hun syndicale opdrachten buiten hun normale werktijd effectieve arbeidsprestaties zijn moeten gevaloriseerd worden. Het vonnis is uitvoerbaar.

Het VSOA herhaalt vooraf dat de essentie van het door de wet van 19 december 1974 ingevoerde stelsel als volgt kan samengevat worden:

Fundamenteel is dat op geen enkele wijze afbreuk mag gedaan worden aan de syndicale vrijheid in de openbare sector.

Tijdens de voorbereidende werken van de wetten van 19 december 1974 en 19 juli 1983 werd de aandacht gevestigd op het feit dat de bedoeling was om aan de vakorganisaties inzake de samenstelling van hun delegatie de ruimst mogelijkheid vrijheid te laten.

Het standpunt van de overheid waarbij de vakorganisatie de afgevaardigden in functie van hun werkuren moet kiezen, doet dus afbreuk aan dat principe.

Bijkomende regels evenals de in het besluit niet voorziene gevallen kunnen door de comités in reglementen van inwendige orde geregeld worden (artikel 32, 1e alinea).

Zone II van Luik, met weigeren te erkennen dat de door de vakbondsafgevaardigden gepresteerde uren in het kader van hun syndicale opdrachten buiten hun normale werktijd effectieve arbeidsprestaties zijn die moeten gevaloriseerd worden, heeft afbreuk gedaan aan meerdere fundamentele principes betreffende de syndicale vrijheid.

Standpunt van de rechtbank:

Artikel 6 van het internationaal arbeidsverdrag over de arbeidsverhoudingen in de openbare sector voorziet dat faciliteiten moeten geboden worden aan de vertegenwoordigers van erkende openbare vakorganisaties, zodat ze hun functies snel en efficiënt zowel tijdens hun werkuren als daarbuiten kunnen uitvoeren.

De richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (89/ 391 /EEG) voorziet in zij artikel 7, 2. dat de aangewezen werknemers geen nadeel van hun activiteiten op het gebied van de bescherming tegen en de preventie van beroepsrisico's mogen ondervinden. De aangewezen werknemers moeten, ten einde de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen te kunnen nakomen, over voldoende tijd beschikken.

Beide genoemde rechtsbronnen zijn van toepassing op recuperatie van de tijd die door de vakbondsafgevaardigden buiten hun normale werktijd wordt gepresteerd.

Het internationaal arbeidsverdrag Nr. 151 heeft betrekking op de arbeidsverhoudingen in de openbare sector (zonder bepaling van het soort comités); het tweede, de richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (89/ 391 /EEG), is van toepassing op alle privé- en openbare sectoren.

De vraag rond de valorisatie van de uren die worden gepresteerd tijdens rustdagen is niet duidelijk geregeld.

De richtlijn 89/391/EEG van de Raad is met de wet van 04 augustus 1996in Belgisch recht omgezet.

Artikel 66 van de wet bepaalt dat: « De prestaties van de leden van de Comités worden voor de bezoldiging gelijkgesteld met werkelijke arbeidstijd, zelfs indien zij buiten de arbeidsuren worden geleverd». Dit artikel is echter beperkt tot de privésector.

De beschikkingen van het hoofdstuk over het toepassingsveld van de Comités voor Preventie en Bescherming op het werk in de wet van 04 augustus 1996 zijn niet van toepassing op de instellingen en etablissementen waarvan het personeel is onderworpen aan wettelijke of regelgevende beschikkingen die hun vakbondsstatuut vastleggen en die voorzien in overlegmaatregelen inzake veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen.

Dat is dus het geval voor de organen en instellingen waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing is (zoals de hulpverleningszones).

Die specifieke regelgeving moet dus met voorrang toegepast worden voor de werking van de overlegcomités die gelast zijn met de welzijnszaken op het werk. Indien echter niets is voorzien in de specifieke regelgeving (die meer dan summier is), kan men zich door de in titel 7 van boek II van de code voorziene werkingsregels laten inspireren. Je vindt immers dat principe geschreven in het rondschrijven van 7 juni 2002 over het welzijn op het werk in de overheidsdiensten die door het koninklijk besluit van 28 september 1984 onderworpen zijn aan het vakbondsstatuut. Men moet ook rekening houden met artikel 32 van voornoemd koninklijk besluit van 1984 dat bepaalt dat het reglement van inwendige orde van elk comité de gevallen regelt waarin het koninklijk besluit niet voorziet.

Men kan zich afvragen of de Richtlijn wel degelijk werd omgezet, in de mate dat de overheidssector door artikel 48 uitgesloten blijft. De voorbereidende werken van de wet geven het antwoord op die vraag. Daar de wet ook toepasselijk is op de openbare dienst maar in de mate dat het om instellingen gaat, waarvoor het vakbondsstatuut voorziet in hun eigen overlegorganen, zijn de beschikkingen over de comités overbodig. De wetgever heeft dus de openbare sector uitgesloten voor wat betreft de comités, denkende dat de beschikkingen van het vakbondsstatuut alle zaken die hen betreffen zouden regelen.

Het koninklijk besluit van 1984 is niet uitdrukkelijk gericht op de recuperatie van de in het kader van de syndicale opdrachten maar buiten de diensturen gepresteerde uren, maar in artikels 81 tot 84 wordt voorzien in de voorwaarden waaronder de vakbondsafgevaardigden kunnen genieten van syndicaal verlof of dienstvrijstelling, wat impliceert dat voor hen geen nadeel hieruit voortvloeit conform de richtlijn 83/3911/EEG.

Hiermee kan men het standpunt van de Algemene Directie van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg begrijpen. Daarin wordt gepreciseerd dat de beschikkingen van de wet van 04 augustus 1996 van toepassing zijn in de privésector, en meer bepaald artikel 66 (De prestaties van de leden van de Comités worden voor de bezoldiging gelijkgesteld met werkelijke arbeidstijd, zelfs indien zij buiten de arbeidsuren worden geleverd).

Zoals eveneens onderstreept in het ministerieel rondschrijven speelt het comité een belangrijke rol in het preventiebeleid in de zin dat het adviezen geeft, middelen opzoekt en voorstelt en bijdraagt tot de uitwerking van betere arbeidsvoorwaarden. Het lijkt evident dat de door de afgevaardigden op het comité uitgevoerde prestaties (zelfs buiten de werkuren) niet te hunnen laste kunnen zijn als men de geest van de welzijnswetgeving en het aan het comité gegeven belang wil respecteren. Dat principe staat trouwens in de wet zelf. Bij gebrek aan duidelijkheid hierover in de wet van 74 en in het koninklijk besluit van 1984, meent de Algemene Directie van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg aldus dat artikel 66 van de welzijnswet ook in de overheidssector moet toegepast worden.

Om te beweren dat geen recht op recuperatie van de door de vertegenwoordigers van het personeel, leden van hulpverleningszones, gepresteerde uren buiten de werktijd bestond, steunde de administratie op de antwoorden op parlementaire vragen uit 29 augustus 1986* (Vraag Nr.324 van de heer Laridon) en 08 oktober 1992** (geschreven vraag 199 van M. Pierrard).

*Bulletin van vragen en antwoorden, kamer 1991-1995, Nr.37, pagina 2721.

** Bulletin van vragen en antwoorden, kamer 1991-1995, Nr.37, pagina 2721.

Wel dient vastgesteld dat die antwoorden werden gegeven vóór dat de wet van 1996 werd aangenomen. De beschikkingen hiervan moeten per analogie toegepast worden.

Namens VSOA/SLFP

Met vriendelijke groeten

Bart Noyens
Voorzitter regio Vlaanderen | Verantwoordelijke leider

VSOA comité hulpverleningszones